Skip to main content

Please

Kortverhaal over de hardnekkige drang om te behagen

6 minuten leestijd

Rosalinde hield van touwspringen. Urenlang liet ze een plastic draad cirkelen, onder haar voeten door, langs haar oren, over haar hoofd en terug naar beneden. Ze dreef het tempo op en sprong sneller en sneller. Het touw maakte een zwiepend geluid, het zinderde zo hard in haar oren dat ze haar vader nauwelijks hoorde roepen. Meestal bulderde hij terwijl haar moeder aan het kookvuur stond of met haar handen vol sop in de afwasbak zat. Hij wist dat ze dan niet zomaar kon weglopen. Hij riep ook in de gang van helemaal beneden naar de bovenste verdieping waar Rosalinde met haar jongere zus de zolderkamer deelde. Dat hij nog eens zijn nek zou breken over hun schoenen, dat het wc-papier op was, dat de hond uitgelaten moest worden, dat de kattenbak stonk, dat ze niet zo’n kabaal moesten maken boven, wie er zijn autosleutels gestolen had. Soms stond hij gewoon in het ijle te vloeken. Hij kon minutenlang staan roepen, als een vastgebonden hond die zichzelf hees blaft in de hoop dat er iemand zijn touw doorknipt. Zijn woede was vluchtig, maar alles overheersend. Zelden vatten ze de inhoud van zijn boodschappen, want die waren onredelijk en ook vergankelijk. Als hij uitgeblaft was, wist hij vaak niet meer waarover hij het had gehad. Rosalinde wel en haar lichaam trilde nog uren na.

Telkens als er een golf van lawaai door het huis trok, nam Rosalinde haar springtouw en sprong, soms een uur aan een stuk, tot haar spieren gevoelloos werden. Elke week brak ze een persoonlijk record. Het meeste aantal sprongen voor ze struikelde of het langste stuiten op één been. Ze bedacht ook gekke sprongen, achterwaarts draaien, handen kruisen. Haar vriendinnen op school wilden het ook proberen en dus nam ze een zak vol met touwen mee. Ook een extra lang touw dat ze voor elkaar draaiende hielden. Dan werd er geteld en gelopen, gestruikeld en weer opgestaan. Rosalinde dreef zich elke speeltijd tot het uiterste. Niemand kon van haar winnen.

Haar voorraad springtouwen dikte met het jaar aan. Bij elk verjaardagsfeest werd er minstens één nieuw touw uitgepakt. Het verveelde Rosalinde nooit. Ook al werd het voor de familie steeds moeilijker om nieuwe varianten te vinden, ze bleef blij enthousiast. Ontgoocheld zijn vond ze te vermoeiend en het leverde nooit iets op. Voor haar tiende verjaardag groef haar vader een trampoline in de tuin, niet om origineel te zijn, maar omdat hij oerendol werd van het gestamp in huis. Dat riep hij in de traphal ‘Stop met springen, ik word oerendol!’ Rosalinde nam haar touwen mee naar de trampoline.

Ze sprong ook vaak zonder touw. Dan wierp ze zich met heel haar lichaam voor haar zusje om haar te beschermen tegen de dreigende rechterhand van hun vader. Haar zusje kon het niet laten haar vader uit te dagen, alsof ze troost vond in zijn zieligheid. Hij nam de gelegenheid gretig aan om zijn boosheid eruit te briesen. Dan ging het er luid en kletterend aan toe, zwaaiden handen door de lucht en vielen stoelen tegen de stenen vloer, soms gevolgd door de resten van het ontbijt of het avondmaal die in één vlotte beweging van de tafel gemaaid werden. Maar als Rosalinde in de buurt was, hield hij zich gedeisd, dan bleef het bij dreigen en grommend gesticuleren. Zij had het afremmend effect op hem nooit begrepen.

Toen het gemeentelijk sportcentrum naast turnen en trampolinespringen ook rope skipping aanbood, vond Rosalinde een vluchtroute. Ze werd het meest enthousiaste lid van de club, stapte na een maand al in het demoteam en won wedstrijden in heel het land. Op de zolderkamer, op het rek boven haar bed, maakten verweerde knuffels plaats voor blinkende bekers. ’s Avonds, wanneer de straatlantaarns geel licht wierpen door de gordijnen, leek het alsof de bekers haar toelachten. Hun fierheid maakte haar rustig.

Rosalinde duwt haar bakfiets de oprit van de kraakverse villa van haar zus op wanneer haar gsm begint te bibberen in haar jaszak. Onhandig haalt ze hem tevoorschijn. ‘Haal je nog melk in de winkel voor je komt? Please? x’

Ze zucht. ‘Ik ben er net,’ antwoordt ze in gedachten. Ze typt het niet, stapt terug de fiets op en rijdt de straat uit.

Ze ziet het haar zusje zo zeggen, ‘please’, met haar blauwe puppy ogen die extra medelijden opwekken door haar overdreven gekrulde wimpers. Dan houdt ze haar hoofd lichtjes schuin en tuit haar lippen tot een pruilmond die alle weerstand uit een mens slurpt. Rosalinde is dan instant verloren. Haar eigen wil, goesting en stem zakken tien meter de grond in. Iets neemt het van haar over en ze doet wat haar zusje vraagt. Telkens opnieuw. Haar latté betalen omdat ze haar bankkaart niet bij heeft, Rémi meenemen na school en hopen dat hij voor slaaptijd wordt opgehaald, boeken binnen brengen en het te-laatgeld betalen, haar belastingbrief invullen, jurken, schoenen en sjaals uitlenen, bemiddelen bij de zoveelste ruzie met Peter die na tien jaar huwelijk eindelijk niet meer plooit.

Lang dacht Rosalinde dat haar zusje de pleaser was doordat ze wel tien keer op een dag ‘please’ zei. Tot ze op een dag begreep dat zij zelf de echte pleaser was.

Ze neemt een brik volle melk uit het rek, twijfelt of ze nog een maxi reep toblerone zou meenemen, de lievelingschocolade van haar zusje. Ze wordt uiteindelijk maar één keer zevenendertig. Ze besluit dat haar zelfgemaakte tiramisu voldoende is. Even later rekent ze aan de kassa de melk en een reep toblerone af.

Door de bakstenen muren van de villa galmt het feestgedruis, alsof het van zijn eigen decibels vlucht. Het glas in de achterdeur trilt mee met de beat. Rosalinde twijfelt of ze naar binnen zou gaan. Ze haat dit soort feesten waar lawaai zelfs de muziek overstemt en er enkel nog schurend tegen elkaars lijf woorden kunnen gewisseld worden.

‘Het is geen fuif,’ had haar zusje haar verzekerd, ‘gewoon een feestje bij ons thuis.’

De ‘please’ met puppy ogen riep argwaan op, en hier aan de achterdeur blijkt die argwaan terecht te zijn. Zweet en zure adem beslaan het venster. Rosalinde ademt de frisse avondlucht in, knipoogt naar de bijna volle maan alsof ze er een pact mee sluit, en stapt toch naar binnen. Met haar zelfgemaakte tiramisu voor zich uit duwt ze zich een weg door het dichtgeplakte bezoek. Ze vindt haar zusje midden op de geïmproviseerde dansvloer, stralend en omringd door uitgelaten dansers. Rosalinde herkent de meeste van hen, vrienden uit een vervlogen scouts tijd die hun vervallen jeugdigheid bij elke verjaardag upcyclen.

Ze zwaait en werpt een handkus naar haar zusje. Meer zit er niet in in deze joelende mensenmassa. Zonder nadenken draait ze zich om, laat de tiramisu en de melk achter op de keukentafel en verstopt de toblerone achteraan in de ijskast. Als een dief in de nacht, die niet vond wat hij nodig had, sluipt ze met lege handen naar buiten. De deur valt dicht en dempt meteen het lawaai. Ze blijft nog even staan, maar er komt niemand achter haar aan. Ze fietst naar huis zonder om te kijken.

Wanneer ze die avond in bed kruipt, licht haar gsm op. ‘Je bent de beste zus van de wereld.’