Skip to main content

Ik ben Monika

Kortverhaal over het lege nest syndroom

12 minuten leestijd

Monika stapt als laatste in de rij de trein op. Dat doet ze heel bewust. Ze houdt niet meer van drummen. Vroeger wel. Dan boorde ze zich een weg door de pendelaarsmassa om als eerste aan de deur te staan. Als de trein tot stilstand kwam en een resem mensen uitbraakte, hield ze iedereen strak in de gaten. Ze maakte er een sport van om geen tijd te verliezen. Drukdoenerij als mate van belangrijkheid. Als de laatste uitstapper zijn eerste voet op het perron zette, plaatste zij de hare al op de trap en trok zich snel de trein in. Het opjagen leverde haar weinig op, want eenmaal in de trein zocht ze zo lang naar de ideale plek dat alle zetels stelselmatig werden ingenomen. Ze belandde uiteindelijk waar ze niet wou zijn. Zoals die keer dat ze voor een jonge man kwam te zitten. Hij moest eind de twintig geweest zijn, met een zwarte hoodie waarvan de kap over zijn ogen viel. In zijn oren blonken goudkleurige oortjes. Door een gat in zijn gebleekte jeans zag ze zijn behaarde knieën. Een walm van opgedroogd zweet hing tussen hen in. Dat op zich vond ze niet ergerlijk, wel dat hij slapend alle beenruimte innam.

Ze schuift door het gangpad, langzaam en met gespleten ogen om de wagon te inspecteren, tergend traag voor de mensen achter haar. Het is er vrij rustig en toch nijpt de nawee van de drukke ochtendspits haar adem af. Pendelaars zitten al achter hun schermen en balies, maar ze lieten hun overdreven parfum, koffiegeur vermengd met tandpasta en zure lijfgeuren achter in de trein. Alsof ze hun plek gereserveerd hielden voor de avondspits.

Ze zoekt een lege twee-zit uit aan het raam. Hoewel ze plaats genoeg heeft, zit ze strak rechtop, houdt haar knieën en haar tas dicht bij zich. Een gewoonte. Ze kijkt onopvallend om zich heen. Haar gedachten gaan naar de plekken waar ze liever zou zitten. Naast de fris ogende jonge vrouw met blinkend gestijld haar, schuin achter haar. Of rechtover de moeder met kind, of zou het de grootmoeder zijn. Kinderen als reisgenoten maken haar blij, als ze niet te luid zijn en er geen snottebellen aan hun neus bengelen.

Schuin voor haar zit een vrouw met grijzend haar en een leesbril met felroze montuur. Een felheid die de aandacht trekt en doet vermoeden dat er iets te verbergen valt. Ze lijkt haar leeftijd te hebben, maar dan gepimpter en ook wijzer. Haar blik is zacht en grootmoederlijk, met een soort vertrouwen waar Monika alleen nog maar kan van dromen. Tussen haar bruine enkel laarsjes houdt ze een grote handtas gekneld, het soort van voorzienige vrouwen, en op haar schoot rust een boek. Boeken leiden tot fijne gesprekken, denkt Monika, of tot ongemakkelijke stiltes. Geprikkeld door nieuwsgierigheid staat ze op en beweegt voorzichtig richting de lege plek naast de dame. Met een lief knikje langs beide kanten is het pakt gesloten en mag er samen gereisd worden.

Monika ontspant. Ze opent het papieren zakje met croissants dat ze zonet op het perron kocht en haalt er een uit. De croissant is vetter dan verwacht, maar ruikt heerlijk naar trage ochtenden in hotelkamers. Monika biedt het zakje aan de dame aan. Ze weigert glimlachend en duikt terug in haar boek.

‘Ik moest me maar eens goed verwennen,’ verontschuldigt Monika zich, wat ze stoerder zegt dan hoe ze zich voelt.

Van de ene op de andere dag verloor Monika het doel in haar leven. Het wandelde het huis uit. Langs de voordeur nog wel, die normaal enkel voor aangekondigd bezoek geopend werd. Haar vriendinnen stuurden haar naar een therapeut. Die zei dat het normaal is wat ze voelt, dat ze nu tijd voor zichzelf mag nemen en uitzoeken waar ze blij van wordt.

‘Reizen,’ zei ze spontaan, ‘liefst met de trein.’ Meer kon ze niet bedenken.

‘Begin daarmee,’ antwoordde de therapeut,’ en koppel er iets ongewoons aan. Doe eens iets anders dan anders.’

Ze nam een vrije dag en kocht een treinticket naar de verste bestemming in België. Eupen. Ze had tijd nodig om na te denken, veel tijd. Via de app van de NMBS zocht ze zoveel mogelijk lokale treinen op. De hele route van Oostende tot Eupen zou meer dan vijf uur in beslag nemen. Ruw geschat zou ze, vertrekkende vanuit Oostende om 9u42 tegen middernacht kunnen terug zijn. Dan zou ze de tijd hebben om bij drie haltes uit te stappen en te pauzeren. Waarvan ze pauze zou nemen, wist ze eigenlijk niet.

Ze neemt de print met de reisroute uit haar rugzak en overloopt de tussenstops. Schellebelle vindt ze een grappig woord. Als je daar woont, kan je jezelf toch niet al te serieus nemen, denkt ze. Het wordt haar eerste stop. Ze kan wel wat humor gebruiken. Pepinster vindt ze ook leuk klinken. Welkenraedt vindt ze te serieus. Over Franchiment twijfelt ze. Het klinkt als het Franse woord voor oprechtheid, daar houdt ze wel van. Ze vraagt zich af of je een beter mens wordt als je daar woont.

De dame sluit haar boek en kijkt op haar horloge.

‘Moet je nog lang?’ vraagt Monika in een tweede poging tot contact.

‘Nog een half uurtje. Ik ga eraf in Gent’. De dame recht haar rug en wrijft met haar hand door haar golvend haar.

‘En jij, nog ver?’

‘Ja, Eupen. Maar misschien ook niet. Ik kan er ook vroeger af. Ik heb geen doel… meer.’

De dame kijkt verbaasd. Monika voelt haar blik. Ze staart naar buiten tot de blik van de vrouw zich terug op het boek werpt en de stilte voldoende is.

‘Wanneer zien we jou terug,’ vroeg ze terwijl ze de voordeur openmaakte. De sleutel draaide moeizaam in het sleutelgat.

‘Ik laat wel iets weten,’ riep hij. Hij wierp een handkusje voor hij de auto instapte en de oprit afreed. Op de grijze tegels blonk een olievlek.

Monika nam er snel een foto van en stuurde hem door, met het onderschrift ‘Je auto lekt, best laten nakijken. Kusje, mama’ Dat ze een afspraak voor hem zou maken bij de garagist, verwijderde ze.

‘Beste reizigers, we naderen zo dadelijk station Gent Sint-Pieters.’ De stem klinkt luid en schel door de krakende luidsprekers. Hier en daar dekken mensen hun oren af en draaien met hun ogen. Je ziet ze cynisch denken dat reizen altijd een beetje reizen is.

‘Dag,’ zegt de dame terwijl ze zich in haar kleurrijke jas wringt, ‘en succes.’

‘Euh?’

‘Met het terugvinden. Je doel?’

Monika lacht ongemakkelijk. Het woord ‘doel’ slingert zich met een smak in haar gezicht. De weerbots voelt nog harder dan de slag zelf. Een hitte stijgt in haar op. Ze houdt beide handen tegen haar gloeiende wangen en tempert de lichte paniek die ontstaat.

De trein vertraagt, komt tot stilstand. Op het perron lopen mensen kriskras door mekaar heen. Hoe langer ze kijkt in de krioelende massa hoe ijler ze wordt. Aan de deur staat een jong koppel met buggy klaar om op te stappen. De man draagt een jongetje op de arm. De vrouw kijkt gespannen en houdt de buggy in de lucht. Klaar voor een aanval. Als Monika haar doel wil vinden, moet ze er hier uit. De stoptrein nemen en Schellebelle bezoeken. Net voor het jonge gezin opstapt, springt Monika recht en rent naar de deur. Ze aarzelt. De buggy hangt nu halverwege de trap. Haar ene been ook. Ze kan erlangs, maar doet het niet.

‘Komt u nog?’ vertelt de blik van de vrouw met buggy.

‘Nee nee,’ schudt ze en keert met versnelde pas terug naar haar plek aan het raam. Mensen blijven door mekaar heen lopen. Het duizelt nog steeds in haar hoofd. Ze zoekt houvast. Haar dagboek. Ze neemt het schrift met handgeschepte papieren kaft uit haar tas, vouwt hem open daar waar een touwtje met gouden balpen een lege pagina markeert en begint te schrijven: Ik ben Monika.

De eerste dagen na zijn vertrek liep Monika onbestemd door het huis. Naast het koken kwam ze tot niet veel nuttigs. Ze dronk koffie aan de keukentafel, knipte droge blaadjes uit de kamerplanten en herschikte de kussens in de salonzetel. Ze huilde op de meest onverwachte momenten. Dan zette ze zich op zijn stoel aan tafel dicht bij het raam. Ze keek vanuit zijn perspectief. Naar de verse tuinkruiden in keramieken potjes op het aarecht. De blender waarvan de hulpstukken droogden op een geruite keukenhanddoek. De dicht bebladerde linde in de tuin hield de ochtendzon voor zich. Elke morgen smeerde hij hier boterhammen voor de middag, twee met jonge kaas zonder boter, twee met americain préparé en één met een veel te dikke laag speculoospasta. Sinds hij aan de hogeschool studeerde, at hij vaker met zijn vrienden. Ze zette de boterhamdoos toch elke dag op tafel.

Er is een man naast haar komen zitten. Ze merkt het pas op wanneer hij zijn gsm uit zijn broekzak haalt en zijn elleboog tegen haar zij drukt.

‘Sorrysorry,’ zegt hij in één woord.

En dan in de telefoon ‘Ja’ Zijn stem is diep en zacht. Zijn accent geschaafd.

‘Nee, jij stoort nooit, Antony, zeg het maar. Oei.’ Er valt een lange stilte, om de twee seconden onderbroken door een brommend ‘hm hm’.

Monika luistert onopgemerkt.

‘Ik kan je wel vervangen maandag.’ Dat het geen probleem is, Anthony, dat hij dat met veel plezier doet, Anthony. Dat hij nu voor zichzelf moet zorgen. Zijn woorden zijn even gemoedelijk als zijn rustig knikkend hoofd boven een wollen trui met rolkraag. Alles in die man straalt menselijkheid uit, een vriend voor iedereen, en vast een broer voor heel wat vrouwen. Monika verschuift haar arm richting de man, raakt hem onopmerkelijk aan en zuigt een beetje van zijn overvloedige warmte in zich op.

Ze sluit haar dagboek en houdt hem geborgen tussen haar warme handen. Buiten staat de zon op haar hoogst. Weiden glooien tussen geoogste akkers. Hier en daar een wilgenrij en enkele huizen die samenklitten. We moeten al voorbij Brussel zijn, denkt ze, dan kan ik er nog af in Leuven, Luik, Verviers of Welkenraedt. Ze blijft zitten. Hoe verder ze van huis is, hoe minder bedreigend de doelloosheid wordt. Zinloosheid die meer en meer nieuwsgierigheid opwekt. De leegte voelt zelfs aantrekkelijk.

Ze bracht zijn kostuum, dat hij droeg bij zijn afstuderen aan het Sint Jan Berchmans college, naar de wasserette. Niet dat het van een keer dragen vuil was, maar voor deze unieke gelegenheid zou hij er kraaknet uitzien. Zelf koos ze haar donkerrode broekpak uit en voor haar man hing ze een lichtgrijs hemd met bijpassend jasje klaar. De aula was tot boven gevuld met uitgelaten studenten, geflankeerd door hun opgeklede vader en moeder. Sommigen brachten enkel hun lief mee. Dat begreep Monika niet. Ze zou haar afwezigheid met een levenslang schuldgevoel afbetalen. Toen haar zoon het podium op kwam en zijn baret de lucht in zwierde, traanden haar ogen. Van blijdschap en fierheid, maar ook van het besef dat haar opdracht erop zat. Geen discussies meer over zakgeld en geld dat niet op ruggen groeit. Over wat het schadelijkste is, alcohol of drugs en dat het allemaal wel meevalt, mama. Over het kapitalisme en de globalisering die aan zijn verval begonnen is. (Dat jeugdig idealisme in hoog oplopende discussies zou ze wel missen). Geen verloren sokken meer onder het bed, aanstekers in de vaatwas, lichten die in heel het huis onnodig blijven branden. Einde wakende nachten. Einde verantwoordelijkheid. Einde opvoedingstaak. Ze vroeg zich af of ze net als haar zoon met onderscheiding geslaagd was.

Monika zit nu bijna drie uur op de trein. Ze heeft drie keer haar treinkaartje getoond, drie keer een nieuwe buur gekregen. Niemand bleef. Haar dagboek is niet verder aangevuld dan ‘Ik ben Monika’. De man met geschaafd accent ging eraf in Leuven. Natuurlijk knikte hij vriendelijk toen hij opstond. Monika gniffelde, ze had toch maar stiekem genoten van deze ontmoeting, die strikt genomen niet echt een ontmoeting was. Ze deelden niet, zij nam.

Zijn plek werd meteen ingenomen door een jonge vrouw. Monika vindt elke vrouw die jonger is dan zichzelf ‘jong’. Ze kijkt naar haar nog niet gerimpelde huid, haar strakke onderkin en perfect opgemaakte oogleden. De vrouw ruikt naar zoete jasmijn. Monika kan niet opmaken of het van douchegel komt of van een eau de toilette. Ze vermoed douchegel, of shampoo. Haar haren liggen nat samengeklit over haar ene schouder. Monika zet zich automatisch rechter, haalt een hand door haar haar en schikt haar rok. Ze moet maar eens een afspraak maken bij de kapster, eens iets nieuws uitproberen. En ook bij de schoonheidsspecialiste voor een gelaatspeeling. Redden wat er nog te redden valt. De jonge vrouw draagt een korte ribfluwelen rok en haar mooi gebruinde benen monden uit in zwarte lederen boots. Monika’s ogen vallen op de boots. Ze kijkt ernaar, dan gehypnotiseerd naar haar eigen voeten. Haar tenen zitten gekruld van de kou in haar open sandalen. Dat had ze nog niet door. Tot nu. De verstijving kruipt naar boven, via haar blote kuiten onder haar rok tot in haar heupen. Daar neemt een rilling het over en in een mum van tijd is heel haar lichaam aan het schudden.

‘Gaat het met u, mevrouw?’ vraagt de rimpelloze jonge vrouw.

Monika knikt. De spanning zit intussen tot achter haar ogen. Haar blik verplaatst zich van de boots van de jonge vrouw naar haar eigen sandalen en terug.

Ze heeft het plots ijskoud. Ze wilde nog zo lang de zomer vasthouden, zich nog niet overgeven aan de herfst. Ze zou zelfs haar wintergarderobe overslaan dit jaar. De tijd stil zetten. Alsof hij dan ook langer bij haar zou zijn, de zoon om voor te zorgen. Ze zou zijn lievelingseten blijven maken, broeken strijken, wachten op vrijdagavond tot hij thuis komt en haar leven pauzeren tot hij op zondag weer vertrekt. Haar neusvleugels trillen. Ze houdt het niet langer en proest het uit. Alles komt eruit, snot, tranen, zuchten. Tegelijk klopt ze geruststellend op het been van de jonge vrouw. ‘Het is ok,’ fluistert ze, alsof ze zichzelf er mee sust. Ze blijft het liefst ver weg van dramatiek, theatraal gedoe, prinsessengedrag. Woorden die ze vaak hoorde wanneer haar oudere zus te laat thuis kwam, gestraft werd en huilde als een gekwetste wolf. Monika kroop dan stilletjes uit bed en zocht de woorden van haar vader op in haar verklarend woordenboek, maar ze werd er niet veel wijzer door.

Haar stem kraakt. Ze kucht de storing weg. Vanbinnen raast het verdriet aan de snelheid van de trein verder. Monika snuit alle ellende eruit, trekt haar jas extra dicht en houdt haar armen gekruist over haar kwetsbare lichaam. Thuis zal ze hout uit de schuur halen en de kachel aanmaken. Ze zal het glazen deurtje openzetten zodat de rookgeur het huis kan vullen. Als kind danste ze voor de kachel met de vlammen. Wanneer haar pyjama gloedheet werd, draaide ze zich om en danste verder terwijl ze zich de beweging van de vlammen probeerde te herinneren. Soms leek het alsof ze opsteeg en verdween. Het vooruitzicht op verdwijnen maakt haar rustig.

De trein heeft zijn doel bereikt. In Eupen stapt ze af, samen met nog enkele andere verloren schapen die om God weet welke reden in Eupen moeten zijn. Op Tripadvisor zocht ze een restaurant. Ze kwam uit op ‘Chez Nathalie’. Dat vond ze een naam die fris klinkt en past bij een vrouw die zacht is, maar zich niet laat doen. Jong, maar niet zo jong dat ze geen begrip kan opbrengen voor lege nesten en de nutteloosheid die daarin achterblijft. Aan een tafeltje aan het raam trakteert ze zichzelf op gevogelte met frietjes.

Hij koos telkens een spaghetti bolognaise met extra gemalen kaas wanneer ze samen gingen eten in Brussel. Om de hoek van de straat waar zijn kot zich bevond, was een bruine kroeg ‘Chez Albert’. Albert was gekend om zijn bakkebaarden die overliepen in zijn grijze baard. Je kon niet zien waar zijn bakkebaarden eindigden en zijn baard begon. En om zijn spaghetti op zijn eigen grootmoeders wijze. Iets met paarse basilicum. Monika nam de garnaalkroketten met frietjes. De laatste tijd vond ze steeds minder garnalen terug in de kroketten.

‘Moeten de garnalen nog gevangen worden?’ grapte ze naar Albert.

‘Les crevettes sont chères, madame’, antwoordde hij droog. Zijn stem klonk schor en rokerig.

De keren daarna koos ze de kaasvariant.

Een dame blanche en zwarte koffie later rekent ze af en wandelt terug richting station. De lucht nevelt pastel paarse en oranje strepen. Ze houdt van dit moment van de dag wanneer warme kleuren de grijsheid verdrijven. Die kleuren passen bij haar persoonlijkheidstype, dat zei een styliste haar ooit. Maar meer nog houdt ze van dit moment omdat de schemer het langzaam overneemt van de zon en een zacht deken op de wereld werpt. Het pieken is voorbij en alles wordt matiger. Dat de dag bijna voorbij is en er niet meer zoveel hoeft, stelt haar telkens gerust.

Ze neemt de eerstvolgende trein terug naar huis. De conducteur komt luid de wagon binnengewaaid.

‘Oostende,’ zegt hij knikkend, ‘je hebt nog een lange weg te gaan.’

‘Dat heb ik zeker,’ antwoordt Monika. Ze neemt haar gsm uit haar tas en typt ‘Zin om spaghetti te komen eten zondag?’