Golven
Kortverhaal over rouwen
4 minuten leestijd
Ik lig uitgestrekt op bed. Het muskietennet dat me beschermt tegen exotische muggen hangt nonchalant geknoopt boven mijn verhitte hoofd. De hut waarin ik me bevind, is donker en ruikt muf naar vergane glorie. Door de spleten van de planken muren schijnt de zon opdringerig en stuurt scherpe lichtstralen mijn richting uit. Ik voel de appel, maar weiger voorlopig me in beweging te zetten. In de nok van het dak kijkt een gekko me roerloos aan.
Ik reis al twee weken door Bali. Ik denk me aangepast te hebben aan de vochtige lucht, het lokale eten en de drukte op de wegen. Toch voel ik me niet hier. Ook niet meer thuis. Ik voel me ergens nergens, in een immense leegte die onmogelijk op te vullen lijkt.
Het verleden is gepasseerd, de toekomst ligt onder een mysterieuze sluier en laat zich nog niet voelen. In het hier en nu is er pijn. De pijn steekt als een venijnige mug die beten achterlaat met vervelende jeuk die op willekeurige momenten van de dag aandacht vragen.
Zes weken geleden stierf mama. Hoewel men zegt dat verdriet slijt, voelen de golven nog groots en uitputtend. Ik zit op de bedrand. Ik voel me draaierig en misselijk. Toch hijs ik me het bed uit en strompel naar het toilet. De krampen in mijn buik verlammen mijn benen. Ik knijp mijn billen dicht, ik moet zo snel mogelijk het toilet bereiken. Ik laat me vallen tegen de ruwe muur en schuif leunend en hijgend voetje per voetje op. De hitte zindert langs heel mijn lijf, mijn losse haren plakken in mijn nek. De toiletpot vangt me op. Zoals mijn stoelgang eindeloos komt en niet lijkt te stoppen, zo golft ook intens verdriet door me heen. Ik huil en snotter doorheen het veel te dunne toiletpapier. Het vuilbakje van verstorven plastic puilt uit. De natte proppen liggen als een hoopje ellende naast mijn voeten. Wat verlang ik naar huis, mijn vertrouwde nest, stil en veilig. Dichtbij mama’s foto op het bijzettafeltje. Ik nam haar verzameling stenen mee vanuit haar slaapkamer, gladde knuffelstenen met speciale krachten. Ik zou er een uitkiezen, hem omhullen met mijn te warme handen en alle koestering in me opzuigen.
‘Zie je het zitten om op reis te vertrekken zo kort na het overlijden van je mama,’ vroeg een goeie vriendin me.
‘Misschien helpt het,’ zei ik zelfverzekerd, ‘een soort overgangsrite, van een leven met mama naar …tja.’
Ik vergat dat overgangsrites zelden zacht en onopgemerkt verlopen, maar vaak gepaard gaan met intense processen, fysieke symptomen en emotionele roller coasters. Het was overmoedig te denken dat ik dit in een reis van vier weken zou klaren.
Als de heftige golf neervalt en mijn tranen lijken op te drogen, voor even, wandel ik naar buiten en zet me op het terras voor de hut. De zon staat hoog boven de glooiende rijstheuvels. Het moet al middag zijn. Ik dommel net weer in wanneer ik een warme hand op mijn arm voel. Ik open mijn ogen en zie de dame van het resort glimlachend over me heen hangen. Op haar hand een dienblad met een groen drankje.
‘Drink this. Good for you’ zegt ze met haar beste volzinnen. Ze lacht. Haar donkere ogen stralen een moederlijke warmte uit. De ontroering neemt het van me over en door mijn eigen lach heen stromen opnieuw tranen over mijn wangen.
‘Thank you,’ zeg ik met een gebroken stem.
‘No fear,’ zegt ze terwijl ze zwaaiend weg wandelt.
‘For taking care of me,’ vervolg ik. Maar dat hoort ze niet meer.
Ik nip aan het bittere, groene drankje en hoop dat dit medicijn niet alleen mijn darmen, maar ook mijn hart zal helen.
De ochtend van de derde dag in de koloniale hut werpt de opgaande zon een zachte gloed in mijn kamer. Ik voel me lichter. De nacht heeft me gerust gelaten. Ik trek mijn bikini aan, zwier een katoenen sarong rond mijn schouders en wandel de kamer uit. Het domein ademt in stilte. Het pad kronkelt langsheen de hutten die gescheiden zijn door guapa bomen en lage exotische struiken. Op het laagste punt van het terrein ligt de zwemvijver. Organisch rond omringd met witte keien en planten met paarse en rode bloemen. Ik laat mijn sarong zakken en glijd het koele water in. Het is fris, maar niet onaangenaam. Ik dompel me volledig onder en voel hoe mijn huid zachter wordt. Het zweet van de voorbije dagen, samen met de zwaarte en de donkerte, spoelen van me af. Ik ril, deze keer niet van de koorts, maar van iets wat lijkt op kinderlijke blijheid. Uitgestrekt laat ik me drijven, minutenlang. De zon die zich voorzichtig opricht boven de heuvels, lijkt me uit te nodigen om mee te rijzen. Deze keer negeer ik haar niet langer. Herboren stap ik de vijver uit en leg me te drogen op mijn kleurrijke sarong.