Tijd om te herleven
Kortverhaal over hoop en verbinding
2 minuten leestijd
Het sloop binnen, onaangekondigd als een sluwe kat op onhoorbaar zachte pootjes. Het zat meteen onder mijn vel en nam mijn hele zijn in beslag. Ik had het niet zien toekomen, ‘het’ had ook niet aangebeld.
Met zachte, niet onaangename stem fluisterde het dat het tijd was.
‘Tijd waarvoor?’, vroeg ik.
Stilte.
Dagenlang was mijn hoofd woordenloos. Er kwamen geen gedachten, laat staan antwoorden. Ijl en ondraaglijk zwaar werd de lucht die ik uitblies. De grond die ik bewandelde voelde wankel, braakliggend terrein was het, niemandsland.
Ik zette de waterkoker op het vuur, trok mijn badjas extra dicht en liep naar de brievenbus. De buurman zat op zijn knieën voor zijn kunstig gevormde buxushaag, de manuele haagschaar in zijn rechterhand, plannetje in de linker.
Mooi, vonden de andere buren het, een waar kunstwerk.
Wat maakt het uit, dacht ik, recht of krom, het vergaat toch.
Ik zwaaide, maar hij zag mij niet, ik liep in niemandsland. Terug binnen nam ik twee koppen thee, zette me aan tafel en schoof de krant naar mijn man toe. De laatste tijd liet ik het wereldnieuws aan mij passeren. Andermans ellende kon er niet meer bij op mijn eigen vuilnisbelt. Ik staarde voor me uit. Verdriet kolkte door mijn aders. Angst kroop naar binnen. Nog voor het me kon verlammen, sprong ik recht. Ik moest iets doen, me bezig houden. Ik verzette mijn gedachten naar het aanrecht en met betraande ogen sneed ik de uien voor de soep. De pompoen was bikkelhard vandaag, de schil liet me er niet door.
‘Kom toch even zitten’, zei mijn man zonder opkijken, ‘ik help je straks wel.’
‘Helpen, helpen, ik wil dit zelf doen,’ protesteerde ik. Wanhopig ging ik zitten. Mijn man stak zijn arm uit vanonder de krant en plooide zijn warme hand over de mijne. Ik legde mijn andere hand erbovenop en keek naar de knoop die gevormd werd op tafel. Enkel aan de zwarte haartjes kon je zien welke vingers van wie waren. De warmte ontdooide mijn handen en meteen ook mijn hart.
‘We gaan hier samen door,’ prevelde hij.
In mijn ooghoek zag ik een foto met witte en zwarte vlekken, panda’s die in een knoop over mekaar geplooid lagen en ik las de titel ‘Baby panda geboren in Paira Daisa.’
‘Het is tijd, zei mijn hoofd, tijd om te herleven.’
Op de vensterbank rekte de kat zich uit, geeuwde ongegeneerd en liep parmantig naar de achterdeur.
Ik opende de deur, liet mijn badjas zakken en trippelde mee naar buiten.