Overslaan en naar de inhoud gaan

Aan de overkant

Introspectief, psychologisch portret van rouw, verlies en het zoeken naar troost en controle in een wereld die niet langer hetzelfde voelt.

14 minuten leestijd

Alba schilt drie aardappelen en laat ze in het spoelwater liggen. Ze moet zo dadelijk het huis uit, ze is al later dan gewoonlijk. De schemering die alles zacht maakt, heeft zich laten verdringen door een kille donkerte. De nacht lijkt ingezet, maar die gedachte duwt Alba voor zich uit.

Ze frutselt haar jas dicht, zwiert de te grote kap over haar hoofd en schudt met haar handen zodat die in de mouwen verdwijnen. Ze had heel hard aangedrongen bij Ravi om de jas voor haar achter te laten. Ze kon erin verdwijnen, een ander mens zijn, onherkenbaar voor wie ze op straat tegenkwam en ook voor zichzelf. Hij pruttelde niet tegen, was al lang blij dat hij het huis kon verlaten. Buiten de jas nam hij alles mee dat aan hem deed denken. Zijn broeken, truien, stoffen zakdoeken, het werkgerief uit de garage, de grasmaaier, de vaas met bloemen die hij voor hun vijfde huwelijksverjaardag schonk, maar dan zonder de bloemen. Hij nam zelfs de post-its mee die hij elke ochtend in haar lunch box stak. Ze bewaarde ze zorgvuldig in een houten sigarendoosje dat ze op zolder vond toen ze het huis in trokken. ‘Je kan dit’, ‘Ik hou van je’, ‘Vergeet niet te lachen vandaag’. Meestal beroerden zijn woorden haar, maar als hij ‘Het komt goed’ schreef, voelde ze een boosheid opwellen waarvan ze dacht dat die haar tot waanzin zou drijven. Dan nam ze de aansteker naast het kookvuur en stak het blaadje boven de wasbak in brand. De zwarte snippers spoelde ze weg en met overdreven veel schuurmiddel schrobde ze de spoelbak. Ze twijfelde om een slok schuurmiddel in haar mond te gieten om de woorden die bij haar binnengedrongen waren te vernietigen. Het kon niet goed komen. Nooit meer. Wat een dwaasheid om dat te geloven. Misschien wou hij eerder zichzelf troosten met al die quotes. Hij verliet het huis en liet geen spoor van zichzelf achter. Later zou ze begrijpen dat hij niet zozeer zichzelf wilde uitwissen, maar de herinneringen die te zwaar op haar wogen.

De straten rusten in het schijnsel van de lantaarns. Alba wandelt stevig door, de straat uit, dan naar links tot voorbij de bocht, dan naar rechts de Bloemenstraat in tot ze aan huis nummer 37 komt. De gietijzeren cijfers zijn al vijf dagen besmeurd met duivekak. Het steekt fel af tegen de anders zo keurige voorgevel in zachtgele crepi. Alba neemt zich voor om morgenavond een vochtig doek mee te nemen en de kak eraf te wassen. Op de vensterbanken staan bloembakken met winterharde planten, ook op de bovenverdieping. Geen half werk ten huize nummer 37, denkt Alba. In de zomer bloeien hier petunia’s en begonia’s zo weelderig dat ze haar het zicht ontnemen. In de woonkamer brandt een sfeerlamp, hij werpt een zachte gloed over de gezellige rommel. Rommel kan haar mateloos enerveren, maar niet hier. Hier wekken de spullen haar nieuwsgierigheid op naar een leven dat ze graag het hare zou noemen.

Onder de leeslamp zit een man gebogen over een boek. Op het tafeltje naast hem staat een half glas rode wijn. Of is het rosé, dat kan ze niet zo goed zien van aan de overkant van de straat. Het ziet er stil uit in huis, geen bewegende schaduwen of lichten die aan en uitgaan in de kamers. Ze is te laat vanavond. Misnoegd versnelt ze haar pas en stapt terug naar huis.

Het spoelwater van de aardappelen is troebel geworden. Alba trekt de gordijnen dicht om de donkerte te verjagen en steekt alle lichten aan in huis, ook in haar slaapkamer, de kinderkamer die logeerkamer gebleven is, het washok, zelfs in de garage. Ze loopt drie keer op en af naar de bovenste verdieping, opent alle kamers en zegt bij iedere zwaai: ‘Ik ben terug thuis.’ De stilte die volgt, geeft ze geen kans met het fel getak van haar laarsjes op de houten trap. In de keuken negeert ze de aardappelen en haalt een lasagne uit de diepvriezer. Terwijl die gaart in de oven, schenkt ze zichzelf een glas rode wijn uit. Alcoholvrij, dat is ze zichzelf verschuldigd sinds de laatste ruzie met Ravi.

Ze zouden de avond samen doorbrengen, zonder vrienden, netflix of smartphone tussen hen in. Hij had ingrediënten in huis gehaald om moussaka te maken. Samen koken was een eeuwigheid geleden en het duurde even voor ze een weg vonden rond het keukeneiland. Alba had die middag een fles rode wijn geopend en van de rest schonk ze hen beiden een vol glas in.

‘Hoe was je werkdag?’ vroeg ze. Een vraag waarvan ze zich niet meer herinnerde wanneer ze die nog gesteld had.

‘Ja goed, ik heb er een nieuwe collega bij en het klikt wel.’

‘Een vrouw of een man?’

‘Wat maakt dat uit?’

‘Gewoon.’

Ravi duwde bruusk de waterkraan open en hield de aubergines onder de harde straal. Het water spetterde over het aanrecht tot op haar schoenen.

‘En jij?’

‘Wat, ik?’

‘Is het stilaan geen tijd om je werk weer op te nemen?’

Alba nam een laatste slok en draaide haar lege glas tussen haar bevende vingers.

‘Hoef jij geen wijn?’ vroeg ze

Ravi schudde zijn hoofd. Ze nam zijn glas en goot het over in het hare.

‘En?’

‘Wat, en?’

‘Je werk. Je zit te veel stil, al dat nadenken doet je geen goed.’

‘Wat weet jij daarvan?’ Haar stem ging de lucht in.

‘Alba, het is ook mij overkomen, maar op een dag moet je verder met je leven.’

‘Jij hebt makkelijk praten. Jij hebt niet gevoeld wat ik gevoeld heb.’

‘Alba, als we zo weer gaan beginnen.’

‘Wat dan, wat dan? Ga je bij me weg?’ Ze duwde haar gezicht naar voren, haar voorhoofd raakte net niet het zijne. Ravi stoof achteruit en klopte met het groentemes op de houten plank. De punt bleef erin vast haken. Hij sloot zijn ogen en ademde diep in.

‘Zeg het maar, je wil weg,’ dramde Alba door.

‘Nee,’ zei Ravi ingehouden, ‘ik wil niet van je weg, maar je duwt me weg.’ Hij knoopte zijn schort los, nam zijn jas van de stoel en liep de voordeur uit.

‘Je geeft me geen andere keuze’, hoorde ze hem nog zeggen.

Alba zakte in elkaar tegen de muur, legde haar armen over haar knieën en liet haar hoofd rusten. Ze moet in slaap gedommeld zijn, want toen ze haar ogen opende, waren de lichten in huis gedoofd. Enkel het lichtje boven het kookvuur brandde nog.  In het zachte schijnsel zag ze de lege fles wijn en de verlaten wijnglazen en ze vond zichzelf plotseling enorm zielig. Ravi was die avond laat teruggekomen en had zich in de logeerkamer geïnstalleerd. ‘Tijdelijk,’ had hij de volgende ochtend gezegd. De hoop op herstel was uit zijn vlakke stem gegleden.

Alba eet de helft van de lasagne op en stort de rest in het bakje van de kat. Ze blijft veel te lang op, langer dan goed is voor haar, al weet ze dat ze de nacht nooit kan ontlopen. Nachtmerries houden haar telkens uit een diepe slaap. Dan schiet ze zwetend wakker en staart naar het felgele licht van de straatlantaarn, dat tussen de lamellen straalt als een zon in de nacht. Alba begrijpt niet wie dat woord bedacht heeft, vast iemand die nooit last heeft van die vreselijk dreigende dromen. Merrie klinkt zo feeëriek, een elegant paard waarmee je als een zwoele gazelle heuvels en weiden doorkruist. Bij haar is het elke nacht een logge, zware hengst die op haar valt en haar verplettert. Elke ochtend is een worsteling om haar vermorzelde deeltjes bijeen te rapen en te moduleren tot een soepel bewegend, levend wezen.

Ook deze ochtend lukt het haar moeizaam om voor zichzelf ontbijt te maken, er de helft van op te eten en op tijd de deur uit te gaan. Ze jaagt zichzelf op want ze heeft een missie. Om stipt 8 uur rijdt ze de garage uit en zes minuten later komt ze op school aan. Ze zet haar fiets tegen de omheining, neemt haar handtas van het kinderstoeltje, haalt er haar gsm uit en opent haar berichten. Dat had ze vijf minuten geleden voor ze het huis verliet ook al gedaan, maar het gaf haar een bezigheid tijdens het wachten. Gewoon staan vindt ze er sullig uit zien.

Er komt een bakfiets aangereden met daarin twee ingeduffelde kinderen. Ze wacht op een bakfiets met één kind, een meisje met rood wollen jasje en blauwe puntmuts met bijpassende sjaal. Soms draagt ze een groene muts met groene sjaal.

8u19. Alba scrolt ettelijke keren door haar berichten, er komen nauwelijks nieuwe binnen. Toen Ravi het huis verliet, nam hij ook nog eens al hun vrienden mee. Dat deed hij niet bewust, het gebeurde gewoon. Ze neemt het hun vrienden niet kwalijk dat ze kozen voor hem. Ravi is altijd goedgezind en onuitputtelijk energiek, als een batterij waar je van oplaadt en heel lang kan op teren.

Van onder haar donkere wenkbrauwen ziet ze vaders en moeders hun kinderen de schoolpoort binnen wandelen, maar geen meisje met rood wollen jasje. Als de schoolbel scherp de lucht in schettert, welt een vlaag van paniek op in haar borstkas. Ze heeft het meisje gemist en kan zich op de kop kloppen over waar het is misgegaan. Angstig kijkt ze om zich heen, het voetpad ligt er verlaten bij. Om geen argwaan te wekken, moet ze nu vertrekken, weg van hier, denkt ze. Ze stapt op haar fiets en rijdt als een gek door de straat, haar ogen gaan alle richtingen uit. Als door waanzin gedreven, komt ze in de Bloemenstraat aan huis nummer 37 aan. Ze vertraagt en kijkt hijgend naar binnen. Alles ziet er verlaten uit. Het wijnglas staat leeg naast het dichtgeklapte boek op het tafeltje. In de andere hoek van de kamer ligt een bont speeltapijt met daarop een half ineen gevallen toren van felgekleurde plastic blokken, een rozerood kasteel en een door paarden getrokken koets waarin te veel kleine popjes gepropt zitten. Er liggen boekjes gespreid over de grond, sommige kaften zijn gescheurd. Alba zou zo graag naar binnen gaan, de toren herstellen, de popjes bevrijden en de boeken stapelen.

‘Ze zijn niet thuis, gaan werken.’ Een oude vrouw met glinsterend grijs haar staat plots naast haar.

‘Ik zou zo graag naar binnen gaan,’ zegt Alba verdwaasd.

‘Pardon?’

‘Ik kom wel terug als ze thuis zijn vanavond,’ stamelt ze. Ze trekt haar kap over haar hoofd, duwt haar fiets op gang en koerst zonder omkijken de straat uit.

Het huis voelt nog leger dan anders. De kat lijkt haar vernederend aan te kijken. Alba houdt haar te grote jas aan. Ze hoopt er de schaamte die ze voelt in te laten verdwijnen. Ze snijdt een appel in steeds kleinere stukken. De schillen gooit ze in de afvalemmer en de partjes laat ze liggen op het aanrecht.

De afdruk van het wezenloze lichaampje op haar borstkas zou nooit meer weggaan. Twee dagen bleef ze in het ziekenhuis om haar lichaam te laten herstellen. Het zou nog veel tijd vragen om haar hart te genezen, zei de verpleegkundige die haar hielp vertrekken. Over haar ziel die zich mee voelde sterven, zeiden ze niets.

Ravi had de auto van zijn ouders geleend om haar op te halen. Hij stak zijn schouder onder haar arm en nam haar mee naar het onthaal. Er lagen brochures voor hen klaar met doorverwijzingen naar ambulante therapeuten. Voor hen stond een jonge vrouw met opgestoken haar en lange, goudkleurige oorringen die haar oorlellen naar beneden trokken. Als ze bewoog, kwam er een zoete geur van musk vrij. Ze droeg een maxicosi aan de arm met daarin een baby van hooguit een paar dagen oud. De baby droeg een roze mutsje waaruit Alba opmaakte dat het een meisje was. Haar bolle, roze wangetjes dreven als wolkjes tussen de zachte lakens. Haar ogen waren dicht en Alba vroeg zich af of ze nog ademde. Die gedachte deed haar maag keren. Ze draaide zich weg van de baby en hield zich staande aan de desk van de balie. Ze stond plots heel dicht tegen de jonge vrouw.

‘Sorry,’ zei Ravi, ‘mijn vrouw voelt zich niet zo best.’

Alba voelde een razernij opkomen, om Ravi die haar betuttelde, om de baby die er te roze bij lag, om de jonge vrouw met haar volmaakte leven. Haar blik viel op de papieren die onder het plexiglas werden doorgeschoven. Anna Versavelt, Bloemenstraat 37.

De dag sluipt onopgemerkt voorbij. Het spoelwater van de aardappelen ziet grauw en stinkt. Alba opent de achterdeur en giet de hele inhoud van het bakje tussen de struiken. Ze verhit een pan en klutst er drie eieren in. Terwijl de eieren zachtjes stollen, maakt ze een slaatje van tomaat, komkommer en lichtjes bruin geworden slablaadjes. Meer tijd heeft ze niet. Ze vergeet het natte doek en loopt naar buiten. Wanneer ze het huis nadert, ziet ze licht schijnen ver voorbij het voetpad. Hoop kruipt door haar aders. Ze zijn thuis, denkt ze. Vanonder haar te grote kap gluurt ze naar binnen. Het meisje is er. Ze hangt in de zetel tegen haar mama aan en omklemt een beker met haar schattige, kleine handjes. Haar pyjama is bedrukt met figuurtjes die Alba niet scherp kan zien, maar het lijken dinosaurussen of hagedissen, want aan de kap die haar hoofdje bedekt, hangen uitsteeksels. Op de schoot van mama ligt een boek waarvan ze traag de bladen omslaat, haar vinger glijdt over de pagina’s. Alba volgt de beweging aandachtig, meer kan ze niet zien. ‘Het vosje kruipt in zijn holletje,’ fluistert ze,’ zie je de twee oogjes glinsteren?’ ‘De beer houdt de wacht, hij is dik en zacht.’ ‘En hier komt de mol piepen.’ Haar fantasie brengt een lichtheid in haar hoofd die haar doet duizelen. ‘De fee huppelt door het bos. Het mos voelt zacht onder haar blote voeten.’ Alba vertelt verder en wordt steeds enthousiaster, haar handen en armen volgen haar woorden. Het verhaal wordt groots en dramatisch. En plots. Is het meisje weg. De mama ook. De man zit met een boek onder de leeslamp, naast hem een glas wijn, rood of rosé.

Alba schudt haar hoofd. Ze moet even weggeweest zijn, waar weet ze niet, maar het was er licht en vrolijk. Ze wandelt traag naar huis en wankelt tussen vervulling en ijzige leegte.

De kat ligt te slapen in de mand tussen wollen balen en haaksels, haar poten verstrikt in het kleurrijke garen. Alba kijkt fier naar de muts die ze eigenhandig aan het haken is. Ze haalde wol en haakpennen in de naaiwinkel in de winkelstraat. De verkoopster vroeg of het voor haar zoontje of dochtertje was en welke kleuren ze graag zag. ‘Rood, paars en groen,’ had Alba geantwoord en dus nam ze alle drie de kleuren mee. Ze zag aan de frons bij de verkoopster dat ze het een vreemde combinatie vond, zeker voor een meisje. Daar trok Alba zich niets van aan. ‘Het is iets tussen mij en mijn dochter,’ lachte ze fier.

Ze haakt elke avond een uur voor ze gaat slapen. Ze hoopt dat de muts klaar is binnen twee weken. Ze zal vermoedelijk iets te groot zijn, denkt ze, maar kleren koop je op de groei en kinderen zien er schattiger uit in broeken met omgevouwen pijpen of bolle jassen.

Ze haakt de naam erop, in sierlijke letters, die zag ze op de deurbel: Marie.

Post-its die het sigarendoosje niet haalden:

Stilstaand water stinkt, dus doe een fietstochtje vandaag

Tijd heelt alle wonden

Kijk naar wat je wel hebt in je leven

Jij wordt zeker nog een keer moeder

Het komt goed